Skydiven met je voeten op de grond

Auteur: Ingrid Bosman

Leerlingen De Waerdenborch onderzoeken zelfvertrouwen met vuur en ongemak.

Ze wilden skydiven, maar vonden zichzelf met knikkende knieën terug op een paar meter boven een luchtkussen. Vwo-leerlingen van De Waerdenborch in Goor lieten met stunts, theater en een tocht door een doolhof de controle los en ontdekten wat dat deed met hun zelfvertrouwen. Een Proeftuin over grenzen verleggen én bewaken. “Nooit gedacht dat ik nog eens een fakkel in mijn mond zou steken.”

1 Wroeten naar wie je bent

‘Verken – ontdek – verwonder’. De uitnodiging op het digibord wordt deze vroege vrijdagochtend beantwoord met gezucht, gemor en gegeeuw. “Waarom hebben we het eerste uur?!”, vraagt een leerling naar de beken de weg. Docent en mentor Stef Engbers van deze 3vwo-klas strooit een beetje humor. “Wat een energie stralen jullie uit!” Kiki Vos de Wael, die als ‘hovenier’ deze klas zal helpen wroeten in hun Proeftuin, stelt zich opgewekt voor aan de veertien leerlingen. “Dit project gaat over jullie. Over de vraag: wie ben jij? Het is een onderzoek naar jezelf.”

Weinig goeds
Dat belooft voor haar gehoor nog weinig goeds, laat de lichaamstaal zien. Kiki start de introductievideo in; een caleidoscoop van genres en disciplines in kunst en cultuur. Ze heeft er maar één vraag bij: “Wat valt je op? Dat mogen meer dingen zijn.” Flitsen van beeldende kunst, graffiti, bodypainting, moderne dans, theater, streetdance, mode, opera en meer  trekken over het scherm. “Veel dansen”, mompelt een jongen op de vraag wat hem opviel. Klopt, reageert Kiki. “Op scholen blijkt weinig aan dans te worden gedaan. Daarom hebben we er veel van in deze film gestopt. Om een beetje te prikkelen.” Iemand zag bijzondere bouwwerken op een strand, een ander viel op hoe een hand met een optische illusie werd beschilderd: “Alsof er een gat in zat.” “Dat kun je dus maken!”, zegt Kiki.

Ze vraagt van welk beeld de leerlingen meer willen weten. Een meisje zucht nadrukkelijk, slaat de armen over elkaar. Anderen zijn toch wel benieuwd hoe dat in zijn werk gaat, met die strand beesten, graffiti, een gat in een hand schilderen, onder water dansen. “Goede vragen!”, vindt Kiki. “We zijn op zoek naar een vraag waar je het antwoord niet op weet. Het is belangrijk dat je daarbij uitgaat van wat je zelf interessant vindt.”

Dromen en verlangens
Ze helpt ze op weg door ze hun hand te laten omtrekken, en daarin antwoorden te schrijven op zes vragen. In de duim: waar mee kom je in een flow? “Dat je niet kunt stoppen”, legt ze uit. “Je talent, dat waar je energie van krijgt.” Ineens wordt er volop gekletst. Kiki: “Soms is het voor jou zo gewoon dat je zelf niet eens doorhebt dat je er goed in bent.” In de andere vingers komen dromen en verlangens, iets dat je raakt of heeft geraakt, waar je beter in wilt worden, wat je wilt veranderen als jij de baas zou zijn en wie of wat je dierbaar is. “Ikzelf?”, zegt een jongen. “Heel goed”, reageert Kiki.

Ze deelt vouwbladen uit waarmee een woordhapper kan worden geknutseld, een papieren handvat om willekeurige combinaties te maken met de antwoorden op de handvragen. Docent Stef ziet het gestuntel met het vouwen aan en roept: “Op welke kleuterschool hebben jullie gezeten?” De leerlingen moeten het happertje vullen met het antwoord op de vraag over welk beeld uit de film ze meer wilden weten, en een waarde of emotie die
voor henzelf zwaar weegt, zoals doorzetten, zelfvertrouwen, eerlijkheid, tolerantie. “Volgende week gaan we vragen bedenken!”

2 Vragen gaan hun eigen gang

Twee weken later liggen er naast de happers inspiratievellen op de tafels, met ballonnetjes en wolkjes om thema’s in te vullen voor de brainstorm. Dit keer zijn er zestien leerlingen. “We gaan kijken naar elkaars favoriete vragen”, legt Kiki uit. “Zijn er overeenkomsten of aanknopingspunten? Of ga je helemaal aan op andermans vraag? Je kunt ook vragen combineren. Voorwaarde voor een goede onderzoeksvraag is dat je nu nog niet weet
wat er uitkomt.” De vaart moet er wel een beetje in, maant Kiki, want aan het eind van de les moet de definitieve onderzoeksvraag op tafel liggen. Doordat het rooster niet meer ruimte bood heeft ze per les maar één in plaats van anderhalf uur de tijd. “Dus we gaan beginnen, ook al zijn jullie nog niet helemaal wakker.”

De vorige keer groeide de scherpte ook wel, laten de vragen zien waar mee een groepje van vier jongens nu verder aan de slag gaat. ‘Kan ik mijn ouders als drumstok gebruiken?’ ‘Kun je onder water voetballen?’ ‘Hoe voel ik mezelf bij het gamen?’ ‘Kan een Lego-creatie de wereld veranderen?’ Kiki is enthousiast. “Kijk of je dingen kunt combineren. Bijvoorbeeld: ‘Wat gebeurt er met mij tijdens gamen of drummen, en kun je daarmee de wereld verbeteren?’” De jongens weten er wel raad mee. “Kun je onder water een Lego-game spelen, je ouders als toetsenbord gebruiken en hoe voel je je dan?”

Uitstelgedrag en moederschap
Een ander groepje van vier jongens wil in uitstelgedrag duiken. Ze vragen zich af, en schrijven dat op het inspiratievel: “Wie stelt niks uit?” Vijf meiden praten over avontuur en paarden. Een schriftje ligt open, in de handpalm (‘Wat doe je als jij het voor het zeggen hebt?’) is geschreven: geen oorlog en een zwembad in de achtertuin. Een meisje heeft haar eigen onderzoeksvraag gemarkeerd: hoe kun je met zelfvertrouwen moeder worden? “Een heel mooie vraag”, vindt Kiki. Maar het gesprek is al bij skydiven aanbeland, een term die volgens Kiki al vaker is gevallen. “Het risico om jullie dat te laten doen is te groot”, tempert ze de verwachtingen. Verderop hebben drie meiden genoteerd: “Wat is enger bij bungeejumpen: meteen springen of aftellen?”

Ouders als drumstok
Kiki raadt het eerste groepje jongens aan om hun vraag compacter te maken én breder te trekken. “Anders gaat het alle kanten op.” Een van de jongens, ad rem: “Dat was toch ook de bedoeling?” Kiki, onverstoorbaar: “Je wilt anderen overtuigen, dan moet het ook een beetje helder zijn.” Ze vraagt de jongens waarom ze hun ouders als drumstok voor zich zien, en
niet vrienden, of de buurman. “Omdat mijn ouders dichtbij staan”, zegt er een. Kiki: “Dat gaat dus ook over de rol van ouders in je leven. Zorgen zij ervoor dat je meer geluid kunt maken, je beter kunt uiten?”

Docent Stef Engbers en diens meekijkende collega Sanne Brakels houden zich bewust afzijdig. Wanneer Kiki – behalve kunstenaar en educator zelf ook docent beeldende vakken – ze kort bijpraat over de oogst moeten ze erg lachen om de ouders als drumstok. “Geweldige vraag”, vindt Stef. Kiki vindt dat spanning en sensatie nog de boventoon voeren. De docent zegt dat hij heeft verteld over andere projecten, om ze een beetje warm te maken. “Misschien hebben ze zich daardoor een bepaald beeld gevormd.”

“Wat is spannender: wel of juist geen controle hebben?”

– Leerlingen De Waerdenborch

Anderen helpen
Het is tijd om de onderzoeksvragen te presenteren. Kiki: “Noteer wat je aanspreekt. En stel vragen. Je moet er gevoel bij krijgen.” De vijf meiden vertellen de klas dat ze alles een beetje hebben gemixt, tot: “Kun je mensen helpen om te durven skydiven?” Kiki probeert ze een beetje bij het skydiven weg te leiden. “Jullie wil den avontuur. Een wereldreis maken, mensen helpen in andere landen. Gaat het om zelf doen, of anderen helpen? De meiden kijken elkaar aan, aarzelen, zwijgen. En lijken blij met de voorzet van Kiki: “Kunnen we mensen zelfvertrouwen geven door spannende dingen te doen?” Stef vult aan: “Of iets onbekends.” Het vijftal keurt de vraag goed.

‘Kun je door te sporten stoppen met het uitstellen van dingen?’ is de tweede vraag. “We doen alle vier beide”, leggen de jongens uit hoe ze hierop kwamen. De meisjes van het bungeejumpen hebben hun vraag algemener gemaakt: ‘Wat is spannender: wel of juist geen controle hebben?’ Kiki: “Mooi!”

Geen vragen
Het andere viertal jongens komt op een onverwachte manier uit de hoek. Geen drumstokken meer, gevoel bij gamen, onder water voetballen of Lego. ‘Kan watervaste apparatuur de wereld helpen?’ is nu hun vraag. De meest spraakzame van het stel komt met een nogal technische uitleg, de rest staat er een beetje bij alsof het hen niet aangaat. Net als bij de andere pitches komen er ook hier geen vragen uit de klas.

Hoog tijd om te stemmen. Kiki deelt briefjes uit, dringt aan op een eigen keuze. “Niet overleggen met je buren”, zegt ook Stef. De leerlingen zijn al onderweg naar de deur wanneer Kiki de uitslag roept: de meeste stemmen kreeg de vraag van de vijf meiden, over zelfvertrouwen en spannende dingen doen.

Zonder oordeel
Er waren prachtige vragen bij, blikt hovenier Kiki Vos de Wael na afloop terug. “Het liefst geef je elke individuele vraag een plek. Maar je wilt ook de hele klas meekrijgen. Vandaar het stemmen.” Ze probeert alle vragen zonder oordeel te benaderen. Maar, zegt ze, “ik ben ook een mens. De laatste presentatie, van die vier jongens, ik was teleurgesteld over wat er van hun mooie vragen was overgebleven! Dat moeten ze bijna wel hebben gemerkt.” Toch, meer sturen zoals ze in het begin nog deed, werkt averechts. “Dat heb ik wel afgeleerd.”

De kunst is, weet ze, “om hun vraag de vraag te laten, en tegelijk uit de verwachting te gaan. Eigenlijk willen ze het liefst skydiven, daarvoor verlaten ze ook direct hun eigen vraag. Het is tegen strijdig: je wilt dat ze er gevoel bij krijgen maar het moet ook niet meteen te specifiek worden.” Sensatiezucht is pubers nou eenmaal eigen, weet ze. “Dat is wat ze voelen.” Wat niet betekent dat je er altijd in moet meegaan. “Als er niks anders is dan stilte, wat gebeurt er dan bijvoorbeeld? Een uitdaging kan ook zijn: in de klas durven opkomen voor wat jij belangrijk vindt.”

Als hovenier wil ze, in feite net als de gelijknamige vaklieden die met de natuur werken, ‘zijn met wat er is’. “De leerlingen uiten wat er in hen leeft. Mijn taak is om door te vragen, aan te scherpen, te onderzoeken waar een vraag vandaan komt. Ik vind zelfvertrouwen nu een mooi uitgangspunt voor deze Proeftuin. Want het is een moeilijk begrip dat zich op veel manieren laat onderzoeken.”

3 Over vuur en vertrouwen

Opnieuw een vroege vrijdagochtend, een paar weken later. Voormalig sportdocent JP de Kam, al jaren actief als stuntman, angstcoach en vuur artiest, draagt spullen uit zijn bestelauto de school in. Bidons, fakkels, een brandblusser. De conciërges kijken met argusogen toe. Docent Stef kan ze geruststellen: de gastdocent van vandaag hakt dagelijks met dit bijltje.

Wanneer Kiki Vos de Wael de klas de onderzoeksvraag wil laten herhalen
blijft het stil. Ook bij het groepje dat ‘m bedacht. Dan klinkt aarzelend: “Iets met zelfvertrouwen?” Kiki formuleert de vraag opnieuw: “Kunnen we mensen – onszelf – zelfvertrouwen geven door iets spannends of onbekends te doen?” En, koppelt ze er meteen een vraag uit een ander groepje aan vast, “maakt het dan uit of je wel of geen controle hebt?” Ze deelt getekende metertjes uit waarop de leerlingen hun zelfvertrouwen kunnen
inschalen, voor en na de workshop.

Niet aardig zijn
JP de Kam vraagt om ook ‘vertrouwen in de ander’ een cijfer te geven. “Waarom denken jullie dat ik dat wil weten?” Een meisje: “Je vertrouwt jezelf vaak meer dan een ander”. JP: “Wie vindt dat mijn shirt te lang is?” Alle vingers gaan de lucht in. “Soms moet je niet aardig zijn om vertrouwen te winnen”, zegt de coach. “Jullie zijn eerlijk, dus te vertrouwen.” De
klassieke ‘achterovervallen’-oefening gaat nog makkelijk, zeker zolang ze hun partner zelf mogen kiezen. Als JP vraagt om duo’s van een jongen en een meisje te maken blijft iedereen zitten. Hij moet zelf gemengde koppels aanwijzen. Sommige tweetallen komen niet eens in beweging. De Kam, droog: “Je ziet dat het uitmaakt wie er tegenover je staat.”

Zodra er vuur aan te pas komt loopt de spanning op. De Kam drukt de leerlingen op het hart zich bij elke stap af te vragen: kan en wil ik dit? Ze leren een fakkel met hun hand te doven. Daarna gaan er vingers in de brand. JP: “Wat is ons waarschuwingssysteem?” Pijn, weten ze. “Maar je wilt het vuur uit hebben vóór je de pijn voelt”, zegt een jongen. Dit was
makkelijker, wordt er na deze ronde gezegd. “Omdat je het vaker hebt gedaan.” Dus, concludeert De Kam, “je hebt meer vertrouwen in de situatie, het vuur en jezelf.

Vluchtreflex
Dan moet de fakkel brandend op de tong. “Dat ga ik echt niet doen”, roept iemand. “Wees blij”, reageert De Kam, “je angstsysteem staat mooi aan. Dat maakt alert en biedt bescherming.” Schudt iemand nee, dan gaat JP naar de volgende, verzekert hij. Een jongen schudt nee en staat tegelijkertijd op van zijn stoel – het oogt als een vluchtreflex. De coach wijst de groep indringend op vooroordelen over angst tonen, zeker bij jongens. “Jongens leren dat dat een zwakte is. Ik hoorde net ook een paar keer negatieve opmerkingen. Vraag jezelf af wat voor klasgenoot, vriend, persoon je wilt zijn.” Het is muisstil.

De brandende fakkel moet nu helemaal in de mond. “Wat is het eerste dat je lichaam zegt?”, vraagt JP. “Waarom?!”, kreunt een jongen. JP, goedkeurend: “Ja, waarom zou je dit willen?” Een andere jongen twijfelt, gaat dan toch staan. Als op commando komen ook twee anderen in de benen. “Hoe was het?”, vraagt een leerling aan zijn buurman. “Normaal”, zegt die stoer.
“Helemaal niet normaal man, je bek stond in de fik!” Er zijn jongens die cool weigeren, zoals er ook meiden zijn die cool meedoen. Tegen een meisje dat bleef zitten zegt JP: “Je hebt toch iets belangrijks gedaan.” Ze kijkt hem niet-begrijpend aan. Dan valt het kwartje. Met quasi-therapeutisch stem met je: “Ik heb mijn grens aangegeven.” Nu moeten ze bij een ander een
brandende vinger doven. JP: “Hoe was dat, om een ander te vertrouwen?” Makkelijker, vinden sommigen. Drie jongens vonden het minder prettig.

Mist en vlammen
Buiten, maar wel uit het zicht van andere klassen, gaat JP weer een stap verder: “Ik ga jullie leren vuurspuwen.” Ze krijgen een bidon met water en moeten in een rij laten zien of ze dat sproeiend kunnen uitspugen. “Ik moet mist hebben!” roept De Kam. Hij beslist nu zelf wie wel en niet mag meedoen. Met beheerste opwinding wisselen de leerlingen hun ervaringen uit. Terug in de klas wil de gastdocent weten wat ze hebben geleerd. De reacties: dat je meer kunt dan je denkt, dat je dingen met vuur gewoon kunt proberen, dat je anderen ook kunt vertrouwen. En, zegt iemand: “Dat dit leuker is dan les!”

“Hoe was dat, om een ander te vertrouwen?”

– JP de Kam, stuntman, angstcoach en vuurartiest

 

4 Springen tussen hoofd en hart

De dag kriekt nog, wanneer JP de Kam in de theaterzaal van herberg De Pol in Diepenheim een week later een steigerstellage bouwt met drie verdiepingen, op twee, vier en zes meter van de grond. Op de vloer ligt een groot luchtkussen. Tegen half negen druppelen de leerlingen binnen. What the fuck, klinkt het regelmatig, zodra de steiger in beeld komt. “Ik
heb hoogtevrees”, zegt Diem. Wie verwacht van het hoogste platform te gaan springen, wil De Kam weten. Drie leerlingen weten zeker van wel, een twijfelt, de rest denkt van niet. “Vandaag”, zegt de coach, “gaat het om het verschil tussen wat je hoofd en je hart zeggen.” “Niet doen, maar wel leuk”, vult een leerling hardop in. Iedereen sluit aan in de rij voor de
eerste sprong, zij het niet altijd van harte. “Ga ik dood?”, vraagt iemand. JP: “Niet vandaag.”

Angstsysteem
De Kam geeft instructies en feedback, wie wil kan zijn actie terugkijken op een tablet. Is de sprong door De Kam goedgekeurd dan deelt hij een lint uit en mag de leerling een verdieping hoger. Nibal heeft zich tegen wil en dank op het kussen laten vallen. “Wil je het leren of niet?”, vraagt De Kam. Ze schudt nee. En sluit dan toch weer aan. Als ze weer beneden is zegt JP: “Nog zo’n sprong en je krijgt een lintje.” Er wordt afgeteld voor Fleur, op
het tweede platform. Daar staat ondertussen ook Nibal. “Ik kan dit echt niet!” Ook bij haar wordt afgeteld. Ze beweegt vooruit, ontdekt dan dat ze de buis achter zich nog vast heeft. “Je angstsysteem”, verklaart De Kam. Dan springt ze toch.

Saltosprong
Ze klimt zelfs nog naar de derde, maar draait zich meteen weer om. “Ik ben niet gek.” Ondertussen staan anderen zich op dat hoogste platform juist te verdringen. De Kam maakt aan het einde van de les de balans op: in plaats van drie sprongen tien leerlingen van de bovenste. Vijf maakten zelfs een saltosprong van die hoogte. Wat ze nu denken van de laagste trede? “Makkie.” ”Saai.” De Kam: “Zo snel gaat dat. Maar onthoud: angst is
heel gezond.”

5 Wat het podium blootlegt

Als dat ook zou gelden voor ongemak, dan reageren de leerlingen volgens het boekje in de zaal van theater De Reggehof in Goor, waar ze aantreden voor een derde workshop. Dit keer is theater de werkvorm. Volgens Kiki Vos de Wael een mooi tegenwicht voor de spanning en sensatie van het vuur en het springen. “Er mag wel iets meer tijd en rust in het proces”, legt ze uit waarom ze koos voor een extra workshop. “En jezelf laten zien op een podium voegt hier echt iets toe.”

Daar zijn de leerlingen nog niet meteen van overtuigd. Op de vraag ‘hoe sta je erin?’ reageren ze niet bijster happig, al vat educatiemedewerker Susan Waanders van Theater Sonnevanck de reacties positief samen. “Prima, met uitschieters naar boven en beneden.” Monter: “Dat is een goed uitgangspunt.” Eigenlijk is alleen Christian, die veel interesse heeft in podiumkunst, uitgesproken enthousiast. Waar hun onderzoeksvraag vandaan komt, wil Waanders weten. Er komt nauwelijks reactie. Wat de verwachtingen zijn dan? ‘”Iets met een podium en acteren?”, probeert iemand. Susan: “Jullie of ik?” “Hopelijk u”, klinkt het.

Laten zien wat je zegt
Waanders vertelt iets over Theater Sonnevanck, een gezelschap dat vanuit Enschede meedraait in de eredivisie van het Nederlandse jeugdtheater. En over de schoolvoorstelling Klassencarrousel, waaruit de leerlingen deze middag zullen putten. Het stuk is bedoeld voor jonge kinderen en gaat over vier circus kinderen, die telkens naar een andere school moeten en dus ook overal nieuw zijn. Op hun beurt brengen ze magie naar het klaslokaal. “Ze proberen normaal te doen zonder dat ze weten wat dat is”, aldus Susan Waanders.

Eerst doet ze met de leerlingen een warming-up om los te komen. Het spel draait om woorden, beweging en de timing daartussen. Het mag met iets meer overtuiging, vindt Susan na een eerste rondje. Docent Stef Engbers geeft fanatiek het goede voorbeeld. “Wat neem je mee?”, vraagt Susan de leerlingen. Ze noemen opletten, de juiste gebaren maken, het goede woord zeggen, geen eh, niet meer zeggen dan nodig is. Een korte monoloog is de eerste acteer-oefening. In groepjes kiezen de leerlingen om de beurt een zin. “Probeer de tekst uit het hoofd te leren”, adviseert Susan. “Dan kun je echt proeven hoe je een zin wilt uitspreken. En gebruik je lijf, laat zien wat je zegt.”

Ze vraagt reacties van de leerlingen die in de zaal toekijken. Leuk vonden die ‘hoe ze bewogen, en dat overdrijven’. Susan: “Ik merk dat geen van de groepjes echt contact maakt met de zaal. Probeer mét het publiek die scène te doen.” In een kringgesprek wil ze daarna weten wie zo’n ervaring kent als de circuskinderen; dat je ergens bent en geen benul hebt van hoe het daar ‘hoort.’ De meesten herkennen het gevoel, maar niemand wil een voor
beeld delen.

Ongemak te snijden
Er moeten weer koppels worden gevormd. Susan doorbreekt de hardnekkige barrière tussen jongens en meisjes en wijst zelf duo’s aan. Het ongemak is nu te snijden. Ze proberen hun dialoogje te oefenen met minstens een halve meter afstand, handen op de rug, vuisten in zakken van hoodies. Pijlsnel wordt de tekst doorgenomen, waarna de jongens weer naar de jongens en de meisjes naar de meisjes trekken. “Waar zijn de koppels gebleven?”, vraagt Susan. Alleen Anne en Diem gebruiken hun volledige repetitietijd.

Hoe ze het vonden? Wel prima, is weer zo’n beetje het algemene gevoel. Een leerling benoemt de gevoelde genderkloof met de mededeling dat hij liever een jongen als tegenspeler had gehad. “Nu moet je het doen met iemand die je niet zo goed kent.” Susan
is tevreden. “Jullie doen het allemaal wel uit overtuiging, complimenten daarvoor. Ook voor hoe je omgaat met de tekst. Je hebt geen idee wat er komt, maar je doet het wel.”

Tegengehouden
Sommigen waren echt uit hun comfortzone, zegt de docent na afloop. Het engste van vandaag was misschien nog wel de samenwerking tussen een jongen en een meisje. Susan: “Het tekstbegrip is echt groot, maar ze zitten nog wel erg in hun hoofd.” Ze had de indruk dat sommigen ook een beetje door de groep werden ‘tegengehouden’, wat docent Engbers beaamt. “Ik vraag me wel af in hoeverre ze zich eigenaar voelen van de onderzoeksvraag”, merkt Waanders op. Haar doel was ook, zegt ze, om iets te laten proeven van wat Sonnevanck maakt. “En te laten voelen waar die teksten over gaan.” De docent: “Je hoopt
dat er ergens een deurtje opengaat.” Ze spreken af dat Sonnevanck de 8+ bovenbouwversie van de voorstelling binnenkort op school komt spelen.

6 Dolen door het onbekende

Dat was leuk, blikt Anne later terug op het bezoek van de acteurs. “Goed gespeeld, maar wel beneden ons niveau.” Ze bedoelt: een beetje kinderachtig. “De acteurs waren als clowns eerst grappig, daarna gewoon OK.” Een paar dingen herkende ze van de workshop, “zoals de scène met het laadje opruimen.” Nee, zegt ze, acteren lijkt haar niks. “Het is wel leuk om even iemand anders te zijn, maar niet om dat altijd te doen.”

Kunstzinnige doolhof
Vandaag is Anne met de klas in Utrecht, voor de afsluitende excursie. In dit geval: een tocht door Doloris, een spannende kruising tussen een kunstzinnige doolhof en een escaperoom. Gemaakt door kunstenaars. De leerlingen hebben geen idee wat ze te wachten staat. Telefoons moeten in een kluisje. “Toch meenemen betekent een exit, en je mag niet meer te
rug”, waarschuwt een medewerker. Je kunt ook zelf voor een nooduitgang kiezen. “Maar geef niet te snel op”, tipt hij. “Er is genoeg te zien.” Dat blijkt zwak uitgedrukt, al schrijven de regels ook voor dat je zo min mogelijk uit de school klapt over een bezoek. Feit is dat iedereen deze attractie anders kan beleven, zelfs als je denkt dat je samen bent. Maar je
moet in je eentje naar binnen. Jason gaat als eerste door een van de vier deuren. Er volgen meer jongens. “Niet in je broek pissen!”, krijgt iemand nageroepen.

Beetje stil zijn
Vooral het begin blijkt spannend. Je bent alleen, ziet niet waar het heen gaat, en er beweegt meer dan je lief is. Dat je na hooguit tien minuten anderen tegenkomt helpt meteen. Veelgehoorde kreten: what the fuck, waar ben ik, ik heb alles al gezien, hier ben ik al (of nog niet) geweest, volgens mij lopen we rondjes. “Kunnen we een beetje stil zijn?”, vraagt Stella.
“Dat vind ik fijner.” Anne en Elise zitten samen in een auto, maar lijken het volgende moment opgelost. Fleur beklimt een steiger en roept: “Ik krijg JP-vibes!” “Dit is wat ik zie als ik droom”, mijmert Diem bij een lichtinstallatie. Hij neemt de tijd: “Ik heb alles wel zo’n beetje ge-experienced”.

“Dit is wat ik zie als ik droom”

– Diem, leerling De Waerdenborch

Met tegenzin
Stef Engbers maakte eerder twee Proeftuinen mee, “maar dit is de mooiste.” “Ze hebben ervaringen voor het leven opgedaan. Alle activiteiten gaan over de onderzoeksvraag, maar steeds met een andere benadering.” Misschien, veronderstelt de docent, was het ongemak bij het theater nog wel het grootst. “Dan moet je jezelf blootgeven.” Maar alleen en zonder telefoon een onbekende wereld instappen is ook een uitdaging, bekennen de leerlingen aan Kiki Vos de Wael bij de evaluatie in doolhof Doloris. Om die reden begon menigeen met tegenzin, melden ze. “Maar”, bevestigt Isis de woorden van de docent, “op een podium
staan is ongemakkelijker dan dit.” Net als bij de andere leerlingen is haar zelfvertrouwen gegroeid, vermoedt ze. “Al is het niet dat ik dat nu meteen merk of zo.” Fleurs eindoordeel: “Het was leuk en leerzaam. Je kunt meer dan je denkt.” Dat beaamt ook Jason, terwijl hij zichzelf op een portie nachos trakteert. “Ik had nooit gedacht dat ik nog eens een fakkel in mijn mond zou steken.”

Meer dan zelfvertrouwen
Op de terugweg naar het station veronderstelt Stefs collega Sanne Brakels dat deze Proeftuin, en zeker het programma van vandaag, meer oplevert dan zelfvertrouwen. “Het gaat ook over dingen als er samen op uitgaan, in een onbekende stad en op vreemde plekken je weg zoeken. Eigenlijk over iets waar in het onderwijs snel aan voorbij wordt gegaan: het belang van plezier.”

Meer over Proeftuinen Overijssel of meedoen met jouw school?

Lees meer!